Maslov Voorbij
De top van de piramide: waarom vooruitgang niet meer vooruit voelt
Stel: je hebt alles geregeld. Je hebt een dak boven je hoofd, genoeg te eten, mensen die om je geven, werk dat erkenning oplevert. Je staat, zou je kunnen zeggen, op de top van Maslows beroemde piramide. Maar dan? Dan onstaat de vraag die niemand graag hardop stelt: fijn, maar nu?
Abraham Maslow ontwierp zijn hiërarchie van behoeften in 1943 als een poging het menselijk streven naar verbetering te ordenen. Eerst overleven, dan zekerheid, dan verbondenheid, dan waardering, en pas bovenaan: zelfontplooiing. Het model is niet onomstreden – te westers, te lineair, te netjes voor een menselijk leven dat zich zelden gedraagt als een trap met vaste treden. En toch blijft de piramide steeds opduiken, juist vanwege wat ze zichtbaar maakt: vooruitgang als opwaartse beweging, van schaarste naar overvloed, van overleven naar floreren.
Maar precies daar wringt het in de fase waarin onze westerse samenleving zich denkt te bevinden. Wat gebeurt er als grote groepen materieel gezien relatief veilig zijn, maar zich tegelijk onrustiger, bozer, eenzamer of cynischer voelen? Wat als de top van de piramide niet voelt als een bestemming, maar als een plek waar de wind harder waait en het uitzicht minder helder dan beloofd?
De paradox van zelfontplooiing als project
Er zijn minstens twee manieren om die vraag te lezen. De eerste is psychologisch en existentieel.
Zelfontplooiing wordt in populaire interpretaties vaak verward met zelfoptimalisatie: nóg efficiënter, nóg unieker, nóg succesvoller, nóg zichtbaarder. Maar een identiteit die permanent ‘project’ is, raakt snel uitgeput. Wanneer basiszekerheden aanwezig zijn, verschuift de druk van buiten naar binnen. Niet langer “kan ik overleven?”, maar “ben ik genoeg?” en “doe ik ertoe?”.
De markt speelt daar gretig op in met eindeloze substituten: ervaringen, statusobjecten, personal branding, wellness-apps, programma’s die beloven je ‘beste zelf’ te ontsluiten. Zelfontplooiing wordt een commodity, iets dat je kunt kopen, volgen, meten. Het gevolg is een merkwaardige paradox: de top van de piramide wordt drukker bevolkt, maar ook instabieler. Niet omdat het leven objectief gezien moeilijker is geworden, maar omdat betekenis nu eenmaal niet bij Amazon te bestellen valt.
De piramide als breuklijn
De tweede lezing is sociaal en politiek, en misschien wel urgenter.
Het ‘stadium waarin aan alle andere behoeftes is voldaan’ is geen collectieve realiteit, maar een ongelijk verdeelde ervaring. Terwijl sommigen zich bezighouden met zingeving en zelfexpressie, vallen anderen terug op de onderste lagen door stijgende woonlasten, zorgstress, energieprijzen, onzeker werk of geopolitieke dreiging.
In zo’n context wordt de piramide geen ladder, maar een breuklijn. Groepen leven in verschillende lagen tegelijk en kijken vol onbegrip naar elkaar. De één ervaart morele urgentie en wil transformeren; de ander ervaart bestaansonzekerheid en wil beschermen. Daar ontstaat frictie – niet alleen over beleid, maar over wat ‘realiteit’ überhaupt is.
Sociale creatieve destructie
En dan rest de vraag die steeds luider klinkt: zijn we alweer op de weg terug?
Misschien wel. Maar niet terug als in ‘terug naar vroeger’. Eerder terug naar de onderlagen als dominante maatschappelijke toon. In tijden van schaarste of dreiging winnen veiligheid, controle en grensbewaking het van experiment, openheid en nuance. Dat zie je in de roep om harde maatregelen, in het herwaarderen van nationale autonomie, in de hang naar eenvoudige verklaringen en sterke leiders, in het wantrouwen jegens instituties. Volgens Maslow zou je kunnen zeggen: als de basis trilt, slingert het aan de top. En dan rest maar één ding: wegwezen.
Maar dit terugvallen hoeft niet per se regressie te betekenen. Hier raakt het idee van ‘sociale creatieve destructie’ aan iets wezenlijks.
We kennen creatieve destructie vooral als economisch mechanisme: oude bedrijfsmodellen moeten verdwijnen om ruimte te maken voor nieuwe. Sociaal gezien gebeurt iets vergelijkbaars wanneer de onzichtbare infrastructuur van vertrouwen, gedeelde feiten, fatsoensnormen en instituties wordt afgebroken – soms bewust, soms als bijeffect van technologie, marktlogica of cultuurstrijd. Het kan voelen als ontregeling: polarisatie, institutionele erosie, devaluatie van expertise, het opknippen van de publieke ruimte in algoritmische echo’s. In die zin zou je kunnen zeggen: ja, we zijn onderweg naar beneden, omdat we met zijn allen de trappen aan het slopen zijn.
Voorbij het zelf
Tegelijk kan destructie ook een voorwaarde zijn voor herordening. Als het oude verhaal van vooruitgang – de individuele klim via groei, prestatie en zelfoptimalisatie – zijn geloofwaardigheid verliest, ontstaat ruimte voor een ander soort vraag. Niet langer: hoe kom ik boven? Maar: wat maakt dat we überhaupt kunnen stijgen zonder elkaar onderweg kwijt te raken?
Dan verschuift zelfontplooiing van een privéproject naar een relationeel project. Niet alleen ‘jezelf’ vinden, maar mede-architect zijn van omstandigheden waarin meer mensen hun basis op orde krijgen: bestaanszekerheid, toegang tot zorg en onderwijs, waardig werk, betaalbaar wonen, een publieke ruimte die niet voortdurend tegen je schreeuwt.
En hier krijgt Maslow een onverwachte actualiteit. Want wat veel mensen niet weten: Maslow zelf verkende later in zijn werk een laag bóven zelfontplooiing. Hij noemde het zelftranscendentie – betekenis voorbij het zelf, dienstbaar aan iets groters dan individuele expressie. In een tijd van planetaire grenzen, demografische verschuivingen en technologische disruptie is dat geen vrome gedachte, maar een praktisch alternatief voor het doodlopende pad van eindeloze zelfoptimalisatie.
Noem het zelftranscendentie, verantwoordelijkheid, of simpelweg volwassenheid: de bereidheid om persoonlijke vrijheid te verbinden aan collectieve houdbaarheid. Dat is geen morele preek, maar een strategische urgentie.
De vraag is niet óf, maar hoe
De vraag is dus niet of we teruggaan naar de onderste lagen, maar hoe.
Doen we het in paniek – met controle, uitsluiting en simpele antwoorden, waarbij we veiligheid behandelen als een schaars goed dat we moeten verdedigen tegen anderen? Of kiezen we voor een bewuste afbraak van wat niet meer werkt, om ruimte te maken voor een nieuw fundament. Eentje die niet draait om status en extractie, maar om vertrouwen en gedeelde betekenis.
Maslows piramide is geen instructie. Het is een diagnose. Ze laat zien wat er gebeurt bij een ongelijke bodem: de top wankelt, iedereen grijpt zich vast. Wie boven staat roept om zingeving. Wie beneden staat roept om een dak boven zijn hoofd. En tussen die twee ontstaat een kloof.
Maar misschien moeten we stoppen met klimmen. Misschien hebben we een andere metafoor nodig.
En misschien is het geen toeval dat een piramide zo weinig ruimte biedt aan de top. De vorm zelf suggereert schaarste. Hoe hoger je komt, hoe minder plaats er is voor anderen. Het ontwerp impliceert winnaar-verliezer-denken. Niet iedereen kán bovenaan staan.
Geen piramide dus, maar een wip-wap. Een constructie die alleen werkt als beide kanten in balans zijn. Als de ene kant te zwaar wordt, knalt de andere tegen de grond. Je kunt niet winnen door alleen jouw kant omhoog te duwen – dan verliest iedereen. Het vraagt voortdurend aanvoelen, corrigeren, bewegen. Niet hoger komen dan de ander, maar samen zoeken naar het evenwicht waarin beiden kunnen blijven bewegen.
De werkelijke top is geen plek die je verwerft. Het is eerder de bereidheid om je eigen gewicht in te zetten om iedereen te laten bewegen.


